APELDOORN - Een 51-jarige man uit Apeldoorn is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf voor het verkrachten van een vrouw. De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de man in 2010, terwijl hij werkzaam was als gevangenisbewaarder in de PI Nieuwersluis, de vrouw in haar cel heeft verkracht. Naast gevangenisstraf krijgt de man ook een beroepsverbod voor de duur van 5 jaar.

Verkrachting in cel

De verdachte werkte als gevangenisbewaarder in de penitentiaire inrichting (PI) in Nieuwersluis, een justitiële inrichting waar alleen vrouwelijke gedetineerden verblijven. Tijdens de luchtpauze op 12 juni 2010 heeft hij het slachtoffer opgezocht en verkracht in de cel waar zij gedetineerd zat. Het slachtoffer bleef die dag in haar cel omdat zij zich niet goed voelde. Na de verkrachting heeft de verdachte tegen het slachtoffer gezegd dat zij haar mond moest houden over wat er gebeurd was, omdat zij anders overgeplaatst zou kunnen worden.

Steunbewijs

In zedenzaken is het soms moeilijk om te bewijzen dat verkrachting heeft plaatsgevonden. Vaak zijn er geen getuigen aanwezig, behalve het slachtoffer en de verdachte. De rechtbank moet dan beoordelen of de verklaringen van de slachtoffers voldoende betrouwbaar zijn, bijvoorbeeld door te kijken naar de gedetailleerdheid van de verklaringen. Wanneer een verklaring betrouwbaar is, moet vervolgens worden beoordeeld of die verklaring ook onderbouwd kan worden met ander bewijsmateriaal, ook wel ‘steunbewijs’ genoemd. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en dat deze voldoende wordt ondersteund door ander bewijs. Zo heeft het slachtoffer kort na de verkrachting tegen een vriendin in de PI geëmotioneerd verteld wat er gebeurd was. Een andere ex-medegedetineerde heeft bevestigd dat het slachtoffer vlak na het incident huilend naar deze vriendin toe rende. Ook heeft een penvriend verklaard dat zij hem kort na de verkrachting overstuur opbelde. Hoewel het slachtoffer op een gegeven moment tegen gevangenispersoneel heeft gezegd dat de verkrachting niet heeft plaatsgevonden, gaat de rechtbank niet mee in het standpunt van de verdediging dat de verklaring daarmee onbetrouwbaar is. De rechtbank oordeelt dat die verklaring past in de context van de afhankelijkheidsrelatie die er was tussen de verdachte en slachtoffer. Het slachtoffer is verder altijd consistent gebleven in haar verklaring en heeft aangegeven dat zij op dat moment bang was voor de gevolgen als ze eerlijk zou vertellen wat er gebeurd was.

Celstraf en beroepsverbod

De rechtbank oordeelt dat de verdachte het slachtoffer op 12 juni 2010 in haar cel heeft verkracht en vindt het strafverzwarend dat hij dit heeft gedaan tijdens de uitvoering van zijn werk als PI-medewerker. Het slachtoffer was aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd en afhankelijk van de verdachte. Hij heeft deze afhankelijkheid op grove wijze misbruikt en met zijn handelen op onaanvaardbare wijze misbruik gemaakt van zijn functie. Ondanks haar angst om niet te worden geloofd of overgeplaatst te worden, heeft het slachtoffer toch aangifte gedaan. Het is aan haar te danken dat het handelen van de verdachte de buitenwereld heeft bereikt. De rechtbank legt de man een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 jaar (36 maanden). Daarnaast legt de rechtbank de man een beroepsverbod op om als gevangenisbewaarder te mogen functioneren voor de duur van 5 jaar.